Vaak gestelde vragen over AGNAS

Hier vindt u antwoorden op enkele veel gestelde vragen

...over de opmaak van een ruimtelijke visie

...over de gevolgen van de ruimtelijke visie

...over de relatie met andere plannen


Over de opmaak van een ruimtelijke visie

Wat is een ruimtelijke visie?

Een eerste stap om tot een concrete afbakening van de gebieden van de agrarische, natuurlijke en bosstructuur te komen, is het opstellen van een ruimtelijke visie. Deze ruimtelijke visie geeft de hoofdlijnen aan van de belangrijke structuren voor landbouw, natuur en bos in een gebied: welke aaneengesloten gebieden moeten gevrijwaard worden voor landbouw, in welke beekvalleien moet er ruimte voor natuurontwikkeling zijn, welke bossen kunnen met elkaar verbonden worden… Deze visie is een kwalitatieve visie en gaat uit van de kenmerken en kwaliteiten van het gebied in kwestie. De visie is geïntegreerd, wat betekent dat de elementen van de agrarische, natuurlijke en bosstructuur gelijktijdig en gelijkwaardig afgewogen worden. De visie vormt de basis voor het opmaken van ruimtelijke uitvoeringsplannen waarin de bestemmingen vastgelegd worden.

> naar boven

Wat is het verschil tussen een ruimtelijke visie en een afbakening?

Een gebiedsvisie omvat een aantal concrete ruimtelijke beleidsdoelstellingen en principes voor een gebied. De ruimtelijke principes of concepten worden grafisch weergegeven in een structuurschets. Een structuurschets is geen afbakeningsplan, maar een schematische weergave van de globale gewenste ruimtelijke structuur.

> naar boven

Hoe zal de ruimtelijke visie eruit zien?

De ruimtelijke visie omvat een aantal ruimtelijke beleidsdoelstellingen en een gewenste ruimtelijke structuur per deelruimte.

  • Ruimtelijke beleidsdoelstellingen. De ruimtelijke beleidsdoelstellingen zijn een gebiedsgerichte vertaling van de doelstellingen voor het buitengebied uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Ze zijn geldig voor de volledige buitengebiedregio en vormen de algemene uitgangspunten voor de gewenste ruimtelijke structuur. Doelstellingen zijn bijvoorbeeld:
    • vrijwaren van samenhangende landbouwgebieden voor de beroepslandbouw
    • behoud en versterken van valleistructuren voor natuurlijke waterberging
    • erfgoedbakens als aanknopingspunt voor zachte recreatie en cultuurtoerisme
  • Gewenste ruimtelijke structuur per deelruimte. In een tweede stap werd de buitengebiedregio opgedeeld in een aantal deelruimten. Een deelruimte is een gebied waarbinnen een samenhangend ruimtelijk beleid wordt voorgesteld aan de hand van een structuurschets en een aantal conceptelementen. In een ruimtelijk concept worden de beginselen die geformuleerd werden in de visie, ruimtelijk weergegeven. Het integreren van de verschillende conceptelementen levert de gewenste ruimtelijke structuur. De getekende vertaling ervan is een structuurschets. Zo'n schets bevat de structuurbepalende elementen op niveau van de deelruimte en geeft er de samenhang van weer. Ze worden uitgedrukt in een symbooltaal bestaande uit vlakken verbonden door pijlen en lijnen.

 Ruimtelijk concept 1

Plateau vrijwaren als vrij intact grootschalig open cultuurlandschap

Ruimtelijk concept 2

Beschermen en beheren van kasteelparken als aparte landschapselementen

Ruimtelijk concept 3

Vallei beschermen als belangrijke drager van natuur- en landschapswaarden

Ruimtelijk concept 4

Ontwikkelen van een continue groenstructuur van bossen, parken en natuurgebieden

> naar boven

Is er een taakstelling bij de opmaak van de gebiedsvisie? Hoe zal de verdeling van de oppervlaktedoelstellingen gebeuren over heel Vlaanderen?

De ruimtelijke visievorming wordt gebaseerd op de aanwezige actuele en potentiële waarden in een bepaalde regio en is dus in de eerste plaats een kwalitatieve visie. De oppervlaktedoelstellingen voorzien in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (750.000 ha agrarisch gebied, 150.000 ha natuurgebied, 53.000 ha bosgebied en 34.000 ha overige groengebieden) worden gegarandeerd door een theoretische verdeling ervan over de vijf provincies, zoals die in de werkkaarten van de sectoradministraties is gemaakt. Bij de opmaak van de werkkaarten van de gewenste natuur- en bosstructuur en de gewenste agrarische structuur door de Vlaamse administratie zijn deze kwantitatieve opties zeer dicht benaderd. Deze sectorvisies waren richtinggevend bij het opmaken van de gebiedsvisies.

> naar boven

Liggen alle natuur- en landbouwgebieden in het buitengebied?

Het “buitengebied” is een begrip uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. In het buitengebied zijn landbouw, natuur, bos, wonen en werken structuurbepalende functies. Er wordt een specifiek ruimtelijk beleid gevoerd, met name het buitengebiedbeleid zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Hét buitengebied wordt als dusdanig niet afgebakend. De grenslijn tussen gebieden waar een stedelijk gebiedbeleid gevoerd wordt en waar een buitengebiedbeleid gevoerd wordt, wordt vastgelegd in de ruimtelijke uitvoeringsplannen voor de afbakening van de stedelijke gebieden. De agrarische en natuurlijke structuren stoppen uiteraard niet aan de grens van de stedelijke gebieden: ook binnen de stedelijke gebieden liggen belangrijke gebieden voor landbouw en natuur.

> naar boven



Over de gevolgen van de ruimtelijke visie

Welke gevolgen heeft het opmaken van een ruimtelijke visie?>

De ruimtelijke visie moet een evenwichtig kader vormen voor het afbakenen van landbouw-, natuur- en bosgebieden in de volgende jaren. Het opmaken van een ruimtelijke visie heeft op zich geen rechtstreekse gevolgen. Het is de Vlaamse regering die uiteindelijk beslist voor welke gebieden er effectief wordt overgegaan tot de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen. Daarbij zal de Vlaamse regering uiteraard rekening trachten te houden met de visie waarvoor een maatschappelijk draagvlak werd gevonden tijdens het planningsproces. Pas wanneer de Vlaamse regering een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vaststelt, zullen er rechtsgevolgen zijn voor die gebieden die opgenomen zijn in het plan. De stedenbouwkundige voorschriften bij het plan geven aan welke werken en handelingen toegelaten zijn of leggen (ruimtelijke) randvoorwaarden op aan de uitvoering ervan.

> naar boven

Is er inspraak voorzien bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan?

Ja. De procedure voor de opmaak van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen is vastgelegd in het decreet ruimtelijke ordening. Deze decretale procedure neemt ongeveer een jaar in beslag. Een voorontwerp gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt ter advies voorgelegd aan gemeenten, provincies en een aantal administraties op een plenaire vergadering. Op basis van deze adviezen stelt de Vlaamse regering een ontwerp gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vast en wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Na het openbaar onderzoek zal de Vlaamse regering het - al dan niet aangepaste – gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vaststellen.

Voorafgaand aan de formele decretale procedure zal getracht worden een informeel vooroverleg met de betrokken gemeenten, provincies en belangengroepen te voeren, zodat opmerkingen en suggesties in die fase meegenomen kunnen worden.

> naar boven

Zal er een gebiedsdekkend ruimtelijk uitvoeringsplan voor het hele gebied opgemaakt worden?

Neen, om verschillende redenen: het is enerzijds praktisch en administratief-juridisch moeilijk haalbaar om tienduizenden hectaren in één plan te gieten. Anderzijds is het wellicht niet nodig om het volledige grondgebied onmiddellijk van bestemming te wijzigen of de bestaande gewestplanbestemmingen te hernemen in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. De middelen en mensen om ruimtelijke uitvoeringsplannen op te maken, zijn beperkt. Er zullen dus strategische keuzes gemaakt moeten worden in functie van de prioriteiten die binnen de regio gesteld worden. In ieder geval zal er naar gestreefd worden telkens voor een samenhangend gebied een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken waarin de landbouw-, natuur- en bosgebieden binnen dat gebied afgebakend worden.

Voor sommige actiegebieden is er misschien eerder nood aan een inrichtingsproject (bv. landinrichting, natuurinrichting, ruilverkaveling…) dan aan de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat geval zal de actie ook opgenomen worden en door de bevoegde administratie opgevolgd worden.

Per actiegebied wordt gezocht naar de meest geschikte werkwijze om de nodige rechtszekerheid te garanderen. Wat hiervoor de juridische en praktisch haalbare alternatieven zijn, wordt onderzocht.

> naar boven

Op welke termijn mogen we gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen verwachten?

De ruimtelijke visie die uitgewerkt is, is een visie op lange termijn en vormt het kader voor het opmaken van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen in de volgende jaren. In 2010 richtte de Vlaamse regering een coördinatieplatform op met vertegenwoordigers van de betrokken Vlaamse ministers en administraties en de natuur- en landbouworganisaties dat de verdere uitvoering van de afbakening opvolgt. Het bekijkt o.a. voor welke gebieden de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen kan starten en bundelt deze acties jaarlijks in een gebiedsgericht programma.

> naar boven

Wanneer zullen alle landbouw-, natuur- en bosgebieden definitief afgebakend zijn?

Via de opmaak van ruimtelijke visies wordt uitvoering gegeven aan de kwalitatieve opties uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en via de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt er stapsgewijs, via een continu lopend proces, geëvolueerd naar 750.000 ha agrarisch gebied, 150.000 ha natuur- en reservaatgebied, 53.000 ha bosgebieden en 34.000 ha andere groengebieden. Deze evolutie wordt beleidsmatig opgevolgd via een monitoringsysteem, de zogenaamde ruimteboekhouding. Dat proces zal nog heel wat jaren in beslag nemen.

> naar boven

Op welke manier worden de agrarische gebieden afgebakend?

Naast de afbakening van agrarische gebieden in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, heeft de Vlaamse regering op 3 juni 2005 een werkwijze vastgelegd om het gewestplan beleidsmatig te herbevestigen voor die agrarische gebieden waarvoor de bestemming op het gewestplan nog steeds actueel is en een goede planologische vertaling van de gewenste agrarische structuur.

Voor deze landbouwgebieden nam de Vlaamse regering een beslissing nemen waarmee de afbakeningsdiscussie in deze gebieden afgerond is. Binnen die gebieden worden er in principe geen gewestelijke initiatieven meer genomen voor het omzetten van de agrarische bestemming naar natuur-, bos- of andere bestemmingen. Ook gemeentelijke en provinciale planningsinitiatieven in deze gebieden moeten de agrarische bestemmingen maximaal respecteren en zullen systematisch getoetst worden aan de agrarische structuur. Midden 2009 is ca. 538.000 ha agrarisch gebied op die manier vastgelegd. De resterende agrarische gebieden zullen in principe vastgelegd worden via de opmaak van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen.

De beleidsruimte voor gemeenten en provincies in deze herbevestigde agrarische gebieden is bepaald in de omzendbrief RO/2010/01 van 7 mei 2010 (vervangt omzendbrief RO/2005/01 van 23 december 2005) (pdf_icon 0,1 MB).

> naar boven

Kunnen in de ruimtelijke visie voor landbouw, natuur en bos ook acties opgenomen worden om het bestaande beleidskader te wijzigen?

De opdracht binnen deze processen is het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, en het decreet op de ruimtelijke ordening, uit te voeren. Het bestaande beleidskader wordt binnen deze gebiedsgerichte processen niet in vraag gesteld.

De uiteindelijke doelstelling is bestemmingen vast te leggen in ruimtelijke uitvoeringsplannen op Vlaams niveau. Over elementen die niet gerealiseerd kunnen worden via ruimtelijke uitvoeringsplannen, kan geen uitspraak gedaan worden binnen deze processen. Het gaat hierbij over decreetwijzigingen, milieumaatregelen, beheersovereenkomsten, aankoopbeleid...

Tijdens de verschillende overlegmomenten en adviesrondes zullen door de betrokken partijen ook elementen aangebracht worden die niet onmiddellijk thuishoren in de ruimtelijke visievorming op landbouw, natuur en bos maar die wel relevante bemerkingen zijn voor het ruimtelijk beleid in Vlaanderen. Deze elementen zullen via de strategische stuurgroep overgemaakt worden aan de bevoegde minister of administratie.

> naar boven

Wat zijn de gevolgen van een aanduiding als natuurverwevingsgebied?

Volgens het natuurdecreet zijn natuurverwevingsgebieden “aaneengesloten gebieden waarin verschillende functies voorkomen en die gekenmerkt zijn door de aanwezigheid van hoge natuurwaarden, waarvan de duurzaamheid kan worden bereikt door het realiseren van het standstill-beginsel, het instandhouden en herstellen van de structuurkenmerken van de waterlopen, het instandhouden en herstellen van de waterhuishouding, het reliëf en de bodem en het bevorderen van het onderhoud en de ontwikkeling van de natuurwaarden.

Voor ieder natuurverwevingsgebied wordt een natuurrichtplan opgemaakt waarin op maat van het gebied nader uitgewerkt wordt hoe deze doelstellingen gerealiseerd kunnen worden. Algemeen uitgangspunt van het natuurdecreet is dat in natuurverwevingsgebieden ten aanzien van de eigenaars en grondgebruikers slechts stimulerende maatregelen worden genomen om deze doelstellingen te realiseren. Dit betekent dat in de natuurrichtplannen geen gebods- of verbodsbepalingen voor deze gebruikers opgenomen worden. Er kan wel gewerkt worden via vrijwillige beheersovereenkomsten.

Meer info over natuurrichtplannen, het Vlaams Ecologisch Netwerk en natuurverwevingsgebieden vindt u op de website van het Agentschap voor Natuur en Bos.

> naar boven

 

 Over de relatie met andere plannen

Wat is de relatie tussen het opmaken van een ruimtelijke visie en het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen?

Om de opties van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) te kunnen uitvoeren, worden verschillende gebiedsgerichte planningsprocessen opgestart. De resultaten van die planningsprocessen worden vertaald in concrete ruimtelijke uitvoeringsplannen. Met betrekking tot de agrarische, natuurlijke en bosstructuur zijn in het RSV enkel een aantal algemene ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven en een globale kwantitatieve taakstelling opgenomen. Omdat het RSV geen selecties van belangrijke landbouw-, natuur- of bosgebieden bevat, is het nodig hiervoor eerst een gebiedsgerichte en geïntegreerde ruimtelijke visie op te stellen.

> naar boven

Wat is de relatie tussen het opmaken van een ruimtelijke visie en de provinciale en gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen?

Binnen het Vlaamse planningssysteem heeft elk bestuursniveau haar eigen taken. Het afbakenen van de gebieden van de agrarische en natuurlijke structuur is volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen een specifieke taak voor het Vlaams gewest.

Via gemeentelijke of provinciale ruimtelijke structuur- en uitvoeringsplannen kunnen gemeenten en provincies de invulling op het terrein verder aanvullen bv. door het aanduiden van natuurverbindingsgebieden en ecologische infrastructuren van bovenlokaal belang (provincies), ecologische infrastructuren van lokaal belang (gemeenten) en het differentiëren van de agrarische gebieden (provincies en gemeenten). Daarnaast hebben gemeenten en provincies eigen planningstaken inzake (zonevreemd) wonen, bedrijventerreinen, recreatie e.d. waarvoor de nodige beleidsruimte moet worden gelaten.

> naar boven

Wat is de relatie tussen het opmaken van een ruimtelijke visie en reeds goedgekeurde plannen?

Bij het opmaken van de ruimtelijke visie wordt een onderscheid gemaakt tussen goedgekeurde en niet goedgekeurde plannen. Rond goedgekeurde plannen (bijvoorbeeld provinciaal of gemeentelijk structuurplan, bekkenbeheersplan,...) werd reeds een maatschappelijk debat gevoerd.

Lokale of provinciale elementen uit deze plannen worden niet opnieuw in vraag gesteld. Waar suggesties gedaan werden naar de hogere overheid worden deze opnieuw bekeken. De voorwaarden opgenomen in de goedkeuring door de minister blijven in elk geval gelden.

> naar boven

Wat is de relatie met de afbakening van de stedelijke gebieden?

In deze ruimtelijke visievorming wordt ook rekening gehouden met de optie uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen om activiteiten in de stedelijke gebieden te stimuleren en te concentreren. In de afbakeningsprocessen van de stedelijke gebieden wordt enerzijds bijkomende ruimte voor bedrijven of woningen voorzien. Anderzijds worden stedelijke landbouwgebieden en natuurelementen of randstedelijke groengebieden afgebakend omdat ze essentieel zijn voor de versterking van de ruimtelijke kwaliteit in het stedelijk gebied.

  • Wanneer de afbakening van een stedelijk gebied vooruitloopt op de visievorming voor en afbakening van de gebieden van de agrarische, natuurlijke en bosstructuur, wordt bij de ruimtelijke visievorming over het stedelijk gebied een hypothese met betrekking tot landbouw, natuur en bos geformuleerd. Vanuit deze hypothese zal bepaald worden wat de grensstellende elementen vanuit het buitengebied zijn en wat de landbouw-, natuur- en boselementen binnen het stedelijk gebied zijn.
  • Wanneer de afbakening van de gebieden van de agrarische en natuurlijke structuur vooruitloopt op de afbakening van een stedelijk gebied zal in de nabijheid van het stedelijk gebied ruimte worden gelaten voor (toekomstige) stedelijke ontwikkelingen. Dergelijke ruimte kan letterlijk worden gecreëerd door enkel de gebieden die een ontegensprekelijke waarde hebben voor landbouw, natuur of bos af te bakenen. Bij de uiteindelijke afbakening van het stedelijk gebied in een ruimtelijk uitvoeringsplan, kan het nog niet afgebakende buitengebiedgedeelte eveneens in een ruimtelijk uitvoeringsplan worden vastgelegd.

> naar boven

Wat is de relatie met planningsprocessen voor andere functies in het buitengebied?

Andere functies en activiteiten kunnen plaatselijk als hoofdfunctie voorkomen in het buitengebied. Het gaat bv. om bepaalde vormen van recreatie en toerisme zoals golf en motorcross, gemeenschaps- en nutsvoorzieningen zoals windmolenparken, waterwinningen of ontginningen. Voor deze functies wordt een apart beleid gevoerd met een eigen planning. Vanuit de ruimtelijke visievorming op landbouw, natuur en bos kunnen randvoorwaarden aangegeven worden voor de ontwikkeling van deze functies. In de grote aaneengesloten landbouwgebieden of grote eenheden natuur kunnen bv. hoogdynamische recreatie en ontginningen worden uitgesloten. De visievorming biedt zo een ruimtelijk afwegingskader voor deze functies.

Tijdens het overleg met gemeenten, provincies en andere administraties wordt de afstemming met deze lopende of geplande planningsprocessen uitgeklaard. De bestaande planningsprocessen hebben een eigen einddoel en worden normaal niet stilgelegd gedurende dit proces.

> naar boven

Kunnen gemeenten en provincies ook ruimtelijke uitvoeringsplannen opmaken voor landbouw-, natuur- en bosgebieden van Vlaams niveau?

Principieel is het een gewestelijke planningstaak om een visie te vormen over de gebieden van de agrarische, natuurlijke en bosstructuur en deze af te bakenen. Het is mogelijk dat gemeenten of provincies voor bepaalde delen van hun grondgebied toch zélf reeds willen starten met de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen voor landbouw-, natuur- of bosgebieden op basis van hun eigen ruimtelijk structuurplan. Daarin kan meegegaan worden voor zover de planopties niet strijdig zijn met de (hypothese van) gewenste agrarische, natuurlijke en bosstructuur op Vlaams niveau en het om een voorafname gaat in functie van een dringende problematiek die op korte termijn een oplossing vraagt.

Tijdens het overlegproces kunnen hierover afspraken gemaakt worden tussen de drie niveaus.

> naar boven